© LR DigiPhoto 2012

Everzwijn (Sus scrofa),                                                                    Birkenfeld (Duitsland), april 2011

Het wild zwijn of everzwijn (Sus scrofa), kortweg ever, is het meest voorkomende lid van de familie der varkens (Suidae), en komt tegenwoordig over de hele wereld voor. Het is de wilde voorouder van het gedomesticeerde varken.

Het wild zwijn is een krachtig zoogdier, dat qua uiterlijk veel op het varken lijkt. Het dier heeft een donkere borstelachtige vacht die 's winters langer is en hij heeft een dikke ondervacht. Het volwassen mannetje, keiler genaamd, heeft twee slagtanden, die door jagers "houwers" worden genoemd. Deze slagtanden zijn twee hoektanden in de onderkaak, die naar boven gericht staan. Ook de bovenste hoektanden zijn sterk ontwikkeld en wijzen omhoog. Over de borstkas heeft het mannetje een vier centimeter dikke laag kraakbeen, die dient als bescherming voor de longen en het hart in gevechten.

Mannetjes worden groter dan vrouwtjes. Een mannetje wordt gemiddeld 105 tot 167 centimeter lang, 64 tot 109 centimeter hoog en 33 tot 148 kilogram zwaar. De staart kan 17 tot 30 centimeter lang worden. In Oost-Duitsland zijn mannetjes aangetroffen van bijna 200 kilogram zwaar en tot 185 centimeter lang. Een vrouwtje wordt gemiddeld 100 tot 146 centimeter lang, 59 tot 89 centimeter hoog en 30 tot 80 kilogram zwaar. De staart van het vrouwtje wordt 16 tot 28 centimeter lang.

In het noorden van Europa worden zwijnen zwaarder dan in het zuiden. Door kruisingen met grote verwilderde varkens worden zwijnen zelfs nog groter. Oudere zwijnen zijn zwaarder dan jongere dieren. Het lichaamsgewicht is ook afhankelijk van de leefomstandigheden, in goede omstandigheden kan het gewicht vrij snel verdubbelen.

 

Hunsrück Rheinböllen (Duitsland) april 2012

Index. Index.