LR DigiPhoto 2016

Vink, Fringilla coelebs                                                                    

Dongen (eigen tuin), maart 2008

De vink (Fringilla coelebs), ook wel boekvink, botvink of charlotte genoemd, is een zangvogel.

In de lage landen is hij de bekendste en meest frequent voorkomende vinkachtige.

Zijn zang, waarvan de laatste tonen de "vinkenslag" wordt genoemd, kent vele dialecten.

Kenmerken van de vink, lengte ca. 15 cm, poten bruin.

• Volwassen exemplaar♂ (man) onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek leiblauw, voorhoofd zwart.

Rug donkerroodbruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.

• Volwassen exemplaar ♀ (pop) vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.

• Jong als volwassen exemplaar ♀.

In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit n sekse. Zeer vaak met verwante kepen.

Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuweriken.

In de winter kunnen vinken zich op de voedertafel agressief gedragen t.o.v. andere bezoekers.

De lokroep van de vink is een herhaald en helder pink, ook wiet en tsjwit. In vlucht en tijdens de trek een zacht tjuub-tjuub. Zijn zang is een heftig, melodieus "tsitsitsitsitsitsitsi-tjoe-ie-". De zang is te horen van februari tot in september. Het liedje duurt maximaal 5 seconden en wordt makkelijk 10 keer per minuut herhaald.

Zijn biotoop is in middelhoge bomen in loof-, gemengde en naaldbossen, parklandschap, parken, tuinen, lanen; in halfopen cultuurlandschap en in steden. In streken met weinig oude bomen treffen we ook weinig vinken.

Het voer voor de vink bestaat uit allerlei zaden, vooral oliehoudend kiemend zaad, vruchten en bessen, knoppen, insecten. Jongen worden met insecten grootgebracht.

Index. Index.

Zouweboezem, april 2007

Zeeland, januari 2009

Dongen (Kandoeltuin), maart 2016